Beeldspraak

De Bijbel in andere taal vertellen. Er zijn heel wat versies. Vandaag pak ik er een uit de kast uit 2002, Beeldspraak. De Bijbelverhalen worden in heel verschillende stijlen verteld. Zo doe ik het boek open op de verhalen over David en zijn kinderen uit Samuel. Het verhaal wordt verteld vanuit het standpunt van Tamar. Over de profeet Natan. Over Amnon, Absalom en Joab, over de troonopvolging van David. Het is niet bepaald een vrolijk verhaal. Maar wel spannend, op deze manier.

“In de troonzaal bleef het lang stil. Toen hoorde ik mijn vader fluisteren: “Ik heb gedaan wat kwaad is. De Eeuwige verwachtte dat ik zou maken dat het de mensen goed ging. Uit eigen belang heb ik mensen gedood.” Natan ging weg. Op mijn tenen sloop ik van de scheidingswand weg. Maar die woorden, die ik toen gehoord heb, waren een dreigende schaduw vooraf. Het kind van vader en Batseba werd geboren en was ziek. Toen vader het hoorde, wilde hij niet eten. Niemand kon hem benaderen. Hij sliep op de grond. In gebed worstelde hij met de Eeuwige. In psalmen schreef David zijn gevoelens van spijt op. Het kind stierf. Wat had ik Natan ook al weer horen zeggen? Je kinderen zullen sterven…’ ook al kregen David en Batseba later een zoon, die ze Salomo noemden, ik bleef de dreiging voelen. Donkere wolken pakten zich samen boven Davids huis. Of ik het wilde of niet, die wolken golden ook mij: ik bleef Tamar, dochter van David.”

Klaagliederen is beperkt tot een halve pagina. Wat ik heel begrijpelijk vind. Niet omdat het geen volwaardig Bijbelboek zou zijn, maar wie gaat er enthousiast worden voor de Bijbel door het lezen van Klaagliederen?

“Ik heb helemaal nergens zin in. Wat is het heet. Er lukt ook niks. Niemand ziet mij staan. Ik ben veel te dik. Was ik maar dood. Klagen, klagen, klagen.

Ook in de Bijbel is het wel eens crisis. Bijvoorbeeld in de Klaagliederen. En dat gaat het niet over het zoveelste mislukte dieet, maar om het verdriet om de verwoesting van Jerusalem. Als je het leest roept het ene verdriet het andere op. Daar wordt je niet vrolijk van. Droevige liedjes? Ja, maar wel lekker droevig.” 

De Psalmen zijn de moeite waard, bijvoorbeeld Psalm 53:

God bestaat niet, zeggen de meeste mensen tegenwoordig. En zo doen ze ook: alsof ze met niets of niemand hoeven rekening te houden. Niet met de mensen om hen heen, en zeker niet met God.

En ik?

Ik probeer mij voor te stellen hoe het is om God te zijn: je bestaat, maar er is niemand die in je gelooft, niemand die rekening met je houdt, niemand die naar je omkijkt. Wat een eenzaam bestaan!

Ik stel mij voor dat God vanuit de hemel naar ons kijkt. Dat hij ons ziet zitten, ieder achter onze eigen PC of op onze opgevoerde scooters van de zwarte markt, herkomst onbekend.  Maakt niet uit het was een koopje, daar gaat het om. Sommige  dingen kun je je beter niet afvragen. 

En God denkt: is er dan niemand meer die zich afvraagt, of ik toch besta? Is er dan niemand meer die nog in mij gelooft, behalve ikzelf?

Want zo is God: zijn bestaan hangt niet af van wat mensen wel of niet geloven. Hij blijft wie hij is, wat er ook gebeurt. Hij blijft geloven in die ene mens, die op een dag naar hem toe zal komen en zegt: he, ben jij er ook nog? Ik ken jou toch van vroeger? God, hoe heet je ook al weer?

Mattheus begint met de wijzen uit het oosten die mopperend op hun kameel zitten. Verder wordt het verhaal steeds door een ander personage verteld. Zoals Levi.

“Deze man was dus Jezus. Ik liet hem binnen en sloot de deur. Buiten werd er verder geruzied. Ik wist me niet zo goed raad met de situatie. De laatste tijd was er niemand uit vrije wil bij mij in huis geweest. En nu stond hij hier. Hij vroeg me hoe mijn zaken ervoor stonden. Ik zei dat het goed met me ging. ‘Weet je dat zeker’, zei hij. ‘Natuurlijk, zei ik, ‘ik heb niets te klagen. Hooguit zijn mensen soms wat agressief omdat ze niet willen betalen, maar ik kom niets tekort.’

‘Ik wil dat je met mij meegaat’, zei Jezus plotseling. Ik begon te lachen. ‘Meegaan, zei ik, ‘een beetje op de bonnefooi leven en de hele zaak hier achterlaten? Waarom zou ik dat doen? Dat levert me toch helemaal niets op? En sorry hoor, maar het is helemaal niet slim om mij te vragen. Mensen zullen je onbetrouwbaar vinden, als ze zien dat je je met een tollenaar inlaat. Daar komt nog bij, ik kan toch niet zomaar de boel achterlaten?’ ‘Het is geen kwestie van kunnen’, zei Jezus, ‘het is de vraag of je het wilt. Je moet je eens afvragen of je dit leven wilt, of je werkelijk tollenaar wilt zijn. Je hebt de keuze’. Meer zei hij niet. Hij liep naar de deur. (…) De hele nacht heb ik niet geslapen. De vraag van Jezus bonsde door mijn hoofd. En vanmorgen wist ik het ineens zeker. Ik wil even geen tollenaar zijn. Misschien wil ik wel nooit meer tollenaar zijn.”

Ok, er zijn geen semantische discussies over de bedoeling van de tekst mogelijk op basis van dit boek. Maar het brengt de verhalen wel tot leven. Een belangrijke verdienste.