Dag 13. Job.

Sla de Bijbel open en begin te lezen. Ik sla mijn Bijbel open en denk: crap! Job 1. Ik heb het nooit zo op het boek Job gehad. Geef mij maar het boek ervoor, Ester, met een hoog 1001-nacht gehalte, een slim meisje als hoofdpersoon, spannend verhaal en goed einde. Perfecte avonturenfilm. Job daarentegen begint met een soort weddenschap tussen God en Satan, waarbij God een beetje zit te stoefen: Job is zo’n goeie kerel, doe maar wat je wilt, hij gaat toch niet overlopen. En dan gebeurt er een hoop miserie, volgen er een hoop lange pagina’s gezeur en discussie over het lijden in de wereld en God geeft geen antwoord, maar op het einde krijgt Job alles weer opnieuw wegens goed gedrag. Tof.

Ik weet inmiddels ook wel dat dit geen correctie theologische interpretatie is en dat het boek Job een hoogstaand literair werk over de zin van het lijden is, maar misschien zijn juist daarom de preken die ik er in mijn puberteit over gehoord heb niet blijven hangen. Is er één vraag moeilijker dan die naar de (on)zin van lijden? Zijn er onaantrekkelijkere personages te bedenken dan Job: een kerel onder de zweren die zit te treuren op een mesthoop? Geen jeugdkerk over Job voor mij.

Anderzijds leef ik al lezend wel met hem mee: want wat moet dat irritant zijn om daar te zitten en dan alle verklaringen en wijze woorden van je vrienden aan te horen. Dat gevoel kent iedereen, ook jonge mensen. Je voelt je diep in de shit (letterlijk in Jobs geval :) en dan komen ze: “niets gebeurt zonder reden”, “ook hier kun je weer van leren”, “ik snap er ook niks van, maar nu geloof je zeker niet meer in zo’n God? Ik niet hoor”. Very helpful, denk je dan.

En dan komt God. Die slaat Job om de oren met de grootsheid van de schepping, de chaos in de wereld die er altijd was maar toch door God haar grenzen krijgt opgelegd en de vraag of hij er misschien bij was? Uh nee, zegt Job. Is goed, ik zwijg al. En dan zegt God: Wapen je. God zegt niet: mooi zo, hou je grote bek. Nee, hij zegt, wapen je, en laat het tot je doordringen dat je inderdaad de zin van de dingen niet weet.

Als tiener (en twintiger) is het niet makkelijk om te accepteren dat miserie ook bij het leven hoort: reclame, tv en ja, ook onze ouders, leren ons dat we alles kunnen en moeten uit het leven halen. Toen ik net studeerde heb ik me net als Job (hoewel ik gelukkig niet zoveel rottigheid had meegemaakt) boos gemaakt op God en op mijn eigen onbegrip. Totdat ik op een gegeven moment besefte dat mijn geloof ook waardevol was als ik niet op alles een antwoord had. Het is wel belangrijk om te beseffen dat de Bijbel ook geen totale fictie is (zoals heel wat jongeren denken) en dat er op bepaalde vragen ook wel antwoorden zijn, maar niet op alles, en zeker niet op het waarom van lijden. Het is er gewoon en we kunnen er alleen zelf zin aan geven. Je kunt het voor jezelf een plekje geven, een ander kan dat niet. Narigheid moeten we van binnen verwerken. Job doet dat op z’n mesthoop, in geruzie met God en de mensen rond hem. Voor een kind of jongere is dat misschien in stilte, achter de playstation, op café of in eindeloos Grey’s Anatomy kijken en huilen om het verdriet van een ander. Maar pas als je ernaar kunt kijken en kunt zeggen: ok, this sucks big time. Ik ben hier heel verdrietig/boos/verontwaardigd /… over en dat mag ik voelen – kun je verder.

En God laat je dan niet op je mentale dixie-wc zitten. Hij zegt: kom maar, blijf niet zitten, maar wapen je en worstel je er met mij doorheen. Samen, want je hebt geloof, hoop en liefde nodig.

Toch nog niet zo’n stom boek, Job.